De casus
De zaak gaat over een fiscale eenheid btw waarin onder andere een stichting en een BV zitten. Beide entiteiten houden zich bezig met de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking, waarbij enkel de stichting officieel erkend was als instelling voor verzorging en verpleging en als instelling van sociale aard.
De BV verleende op afstand 24-uurs toezichtdiensten aan zorginstellingen voor zowel personen die in de instelling verblijven als personen die niet in de instelling verblijven. Voor deze diensten werd een beroep gedaan op de medische btw-vrijstelling. De Belastingdienst was van mening dat de vrijstelling niet van toepassing was, omdat de vennootschap die de diensten verrichtte zelf geen erkende instelling was.
De Hoge Raad heeft vervolgens de vraag bij het Gerecht voorgelegd of de voorwaarden voor toepassing van de medische btw-vrijstelling moeten worden beoordeeld op het niveau van de fiscale eenheid als geheel, of op het niveau van het individuele lid dat de prestaties verricht.
Oordeel van het Gerecht
Het Gerecht oordeelt dat een fiscale eenheid btw als één belastingplichtige wordt aangemerkt, maar dat dit niet betekent dat voor de toepassing van een btw-vrijstelling geen aandacht hoeft te worden besteed aan de hoedanigheid van het groepslid dat de dienst feitelijk verricht.
Volgens het Gerecht bevatten de medische en sociale vrijstellingen twee voorwaarden: een voorwaarde met betrekking tot de aard van de prestaties en een voorwaarde met betrekking tot de status of erkenning van de dienstverlener. Omdat de Europese regelgeving verwijst naar erkende instellingen en niet naar de belastingplichtige, moet worden beoordeeld of het specifieke groepslid dat de dienst verricht aan deze erkenningseis voldoet.
Belang voor de praktijk
Hoewel de uitspraak betrekking heeft op de medische en sociale btw-vrijstellingen, reikt het belang van dit arrest mogelijk verder dan alleen de zorgsector. Het Gerecht baseert zijn oordeel namelijk op een breder uitgangspunt: wanneer een vrijstelling vereist dat de dienstverrichter een bepaalde hoedanigheid of erkenning bezit, moet worden beoordeeld of het groepslid dat de prestatie verricht zelf aan die voorwaarde voldoet. Een groepslid kan die hoedanigheid of erkenning niet automatisch ontlenen aan die van een ander groepslid uit de fiscale eenheid btw.
Wellicht dat deze benadering dus ook geldt voor andere vrijstellingen waarbij de status of aard van de dienstverlener een rol speelt, zoals in de onderwijssector. Ook voor toepassing van de onderwijsvrijstelling kan namelijk van belang zijn of de entiteit die de dienst verricht zelfstandig voldoet aan de gestelde voorwaarden.
Meer informatie
Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel? Neem dan gerust vrijblijvend contact op met onze specialisten. U kunt contact opnemen via onderstaande button of per mail: btwadviesgroep@vanoers.nl.
Algemeen - Contact
Neem contact op met Van Oers
Vul hier uw gegevens in en wij nemen binnen 2 werkdagen contact met u op!
"*" geeft vereiste velden aan



